Elf keer…Michael Evans

In de rubriek Elf keer… hebben we telkens elf vragen en / of stellingen voor een voormalige VVV’er. In aflevering 5 staat Michael Evans (38) centraal. Halverwege de jaren negentig brak de snelle rechtsbuiten door bij VVV. Hij kwam in zes jaar tijd tot 159 competitieduels, waarin hij 30 keer scoorde…

Elf keer...Michael Evans

Jij voetbalde tussen 1995 en 2001 bij VVV. Hoe kijk je zelf terug op die periode?
‘Als ik heel eerlijk ben: zowel positief als negatief. Ik heb een dubbel gevoel als ik terug denk aan mijn VVV-tijd. Enerzijds waren het ontzettend leuke jaren. Mijn droom om prof te worden kwam uit, met de jongens onderling heb ik het erg gezellig gehad. En ik heb door de jaren heen heel wat mooie momenten gehad. Maar van de andere kant is niet alles gegaan zoals gehoopt. Ik heb niet kunnen brengen wat ik vooraf verwachtte. En ik heb ook een behoorlijke moeilijke periode gehad in De Koel.’
Daar komen we dadelijk ongetwijfeld bij uit. Even helemaal terug naar het begin. Hoe verliep jouw traject tot het moment dat je in het eerste debuteerde?
‘Ik kwam pas heel laat bij VVV terecht, speelde voorheen bij amateurverenigingen. Ik ben geboren en getogen in Venlo. Mijn vader is Afro-Amerikaans. Hij zat als militair gelegerd in Duitsland, tijdens het uitgaan in Roermond heeft hij mijn moeder ontmoet. Ze wonen anno 2015 nog altijd in dezelfde buurt in Venlo-Zuid als waar ik ben opgegroeid en ook nog altijd woon.
Ik begon met voetballen bij VOS, na de F-jes en E-tjes speelde ik vanaf de D-jeugd bij Venlosche Boys. Ik had talent, iedereen zei me dat ik wel in het jeugdplan van VVV terecht zou komen. Maar dat is er nooit van gekomen. In mijn eerste seizoen bij de senioren werd ik alsnog gescout. Ik mocht zelf kiezen: óf ik zou in het tweede komen te spelen en kon op vakantie met mijn vrienden gaan óf ik mocht de voorbereiding met het eerste meedoen en mezelf proberen te bewijzen. Ik koos voor dat laatste.’
De juiste keuze, zo bleek.
‘Het begin was erg zwaar. Ik kwam van de derde klasse amateurs. Natuurlijk moest ik wennen aan het niveau. Maar ik ging er vol voor: dit was mijn kans. En dus deed ik die zomer keihard m’n best. Ik ging telkens voorop, de trainer moest me af en toe zelfs afremmen. Mijn doel was om bij het eerste te komen en dat lukte me.
Mijn debuutseizoen verliep boven verwachting. In het begin zat ik meestal op de bank, toen had ik een rol als twaalfde man. Uit tegen Den Haag kreeg ik een kans in de basis. Ik scoorde en sindsdien liep het als een trein. Gerald Sibon stond in de spits, ik speelde vaak als rechtsbuiten en pikte zeker ook mijn doelpunten mee. Deed veel op instinct, mij moest je niet te veel opdrachten meegeven. Ik had een actie in huis: als het liep passeerde ik zo twee, drie man. En daar hielden de supporters van. Als jongen uit de regio werd ik al vrij snel een publiekslieveling. Tot ik geblesseerd raakte aan mijn hamstring. Vlak voor de nacompetitie keerde ik terug. Thuis tegen Haarlem maakte ik twee goals. Ik leek weer helemaal terug te zijn, maar vanaf dat moment ging het toch minder.’
Je was inmiddels wel full-prof geworden.
‘Aanvankelijk zat ik nog op school. Ik deed een opleiding reclametekenen. Maakte ontwerpen, zoals ik bij een stage voor Volkswagen heb gedaan. Toen ik bij VVV terecht kwam heb ik afspraken met mijn school gemaakt. ’s Ochtends van negen tot twaalf volgde ik de lessen, vervolgens ging ik naar de middagtraining bij VVV. Ik haalde mijn diploma en kreeg in diezelfde periode een contract bij VVV. Eigenlijk was het de bedoeling dat ik voor mijn opleiding nog een vervolgtraject in Boxtel zou gaan volgen, maar doordat ik profvoetballer werd is dat er niet meer van gekomen.’
Je tweede jaar verliep een stuk minder.
‘Er kwam een nieuwe trainer. En hij (ook twintig jaar later noemt Michael Evans consequent de naam Henk van Stee niet, red.) had zo zijn eigen methodes. Hij kwam uit Rotterdam en nam zijn eigen spelers mee. We kregen in Venlo een Rotterdamse enclave, we hadden dat seizoen veel jongens uit de Randstad. De trainer was vastberaden de instelling van de Limbo’s aan te pakken. Het kon allemaal wel wat harder, vond hij. Eigenlijk was er sprake van groepsvorming binnen de spelersgroep. Het westen tegenover de Limburgse jongens. En het was wel duidelijk waar de voorkeur van de trainer lag.
Mijn speelkansen werden steeds minder. Ik had het gevoel dat ik niks meer verkeerd mocht doen. Maakte mijn acties zonder overtuiging. Andere spelers hadden in mijn ogen meer krediet. De trainer zei me letterlijk: jij bepaalt of je speelt. Het was vooral een mentale kwestie. Hij wilde me harder maken, dat Randstedelijke mee proberen te geven. Maar dat werkte averechts. Voor mijn gevoel maakte hij me langzaam kapot.’
Dat klinkt heel heftig.
‘Maar zo voelde ik het wel. Ik ging er aan onderdoor. Voelde me vernederd. Mijn ouders merkten ook hoe hoog het me zat. Ik was destijds heel onzeker. Het hele wereldje was nieuw, heb er ook niet met de trainer over durven te spreken. Nu zou ik zoiets heel anders hebben aangepakt.
Het dieptepunt was voor mij een wedstrijd thuis tegen Eindhoven. Ik zat op de bank. Het liep niet zoals gewenst en ik werd ingebracht. Maar een half uurtje later moest ik er al weer uit. Toen was ik echt gebroken. Dan moet je dat hele veld over, die lange trap. Een lijdensweg. Ik kon uiteindelijk wel wraak nemen. Thuis tegen Helmond Sport was de hele as geblesseerd. De trainer kon niet om mij en andere jongens uit Limburg als Van Boekel en Koenen heen. We wonnen met 3-1, ik maakte alle VVV-goals.’
Henk van Stee is overduidelijk niet je favoriete trainer. Maar wat viel jou zelf te verwijten?
‘Wat ik al zei: ik was niet mondig genoeg. Dat deel ben ik pas later in gaan zien. En, eerlijk is eerlijk: ik heb ook niet altijd voor de sport geleefd. Je moet ook in de spiegel durven kijken. Ik heb niet genoeg aan mijn zwakke punten gewerkt. Krachttrainingen liet ik soms aan me voorbij gaan, terwijl ik die wel nodig had. Dus achteraf zijn er zeker ook dingen die ik anders had moeten doen. Laten we wel zijn: in eerste instantie ligt de schuld bij mezelf. Ik heb niet genoeg in mezelf geïnvesteerd.’
Als je dit verhaal hoort lijkt het wat vreemd dat je erna nog jaren bij VVV hebt gezeten.
‘Punt was: ik had een contract voor drie jaar, had me in dat rampseizoen niet genoeg in de kijker kunnen spelen. Dus belangstelling was er in die periode niet. Toen het goed ging was die interesse er wel. Eerder bleek zelfs Borussia Mönchengladbach naar me te hebben geïnformeerd. Ik had net mijn contract getekend, dus dat ging niet door. Niemand had mij overigens van die interesse op de hoogte gebracht. Ik hoorde het pas veel later, van een medewerker van de administratie. Wie weet hoe alles had kunnen lopen…
Maar ik bleef dus bij VVV. Ik wil er ook geen te dramatisch verhaal van maken hoor. Ik heb hele mooie dingen meegemaakt. Met de jongens onderling was het vaak lachen. De sfeer in het kleedlokaal, die voetbalhumor. En al met al heb ik wel de nodige goals gemaakt. Ik zag laatst dat ik best hoog sta bij de clubtopscorers, dat wist ik helemaal niet. Heb ik het toch wel aardig gedaan, haha.
Mijn tijd bij VVV ging met ups en downs, al blijft mijn eerste seizoen achteraf het beste. In 1998 kwam Hennie Spijkerman. De trainersverandering betekende na een tijdje toch dat ik weer wat meer speeltijd kreeg, al moest ik me ook toen flink bewijzen. Uiteindelijk heb ik mijn contract nog een paar keer verlengd, dus ik heb inderdaad vrij lang bij VVV gezeten.
De clubprestaties werden steeds minder, de neergaande weg was ingezet. Met mijn laatste seizoen als dieptepunt: we werden achttiende. Allerlaatste in de Eerste Divisie, slechter kon niet. Eerlijk gezegd voetbalden we aanvankelijk niet eens zo dramatisch, we kregen vaak meer kansen dan de tegenstander. Maar werkelijk alles ging mis dat jaar. En dan nemen de ergernissen toe, dat komt de sfeer in de groep niet ten goede.’
En zo kwam er geen al te vrolijk einde aan je VVV-tijd.
‘We snakten naar het eind van die jaargang. We zaten het seizoen maar uit, niemand had er nog zin in. Op het laatst konden we kiezen waar we ter afsluiting heen zouden gaan op vakantie. Het werd óf Mallorca óf een paar dagen Ardennen. Iedereen koos voor het laatste. Dan waren we er zo snel mogelijk van af. Dat zegt genoeg. Ik wist ook al dat mijn tijd in De Koel er op zat. Mijn contract werd niet verlengd.
Mijn zaakwaarnemer kwam vervolgens met een club in Zuid-Afrika, later had hij iets gevonden in Israel. Maar daar waren net heftige aanslagen geweest, dus dat heb ik niet gedaan. Een week later kwam Bradford City. Heb er stage gelopen, maar ze zochten een ander soort spits. Een type Sibon. Nee, dat was ik niet. Ik keerde terug naar Nederland, maar al snel was er weer interesse uit Engeland. York City uit de derde divisie wilde me hebben.
Dat werd je laatste profclub.
‘En dat was een groot avontuur. Ik ging voor het eerst op mezelf wonen, en dan meteen in het buitenland. De omstandigheden waren niet ideaal. Ik had destijds een vriendin die nog een opleiding in Nederland volgde. Ik kwam er dus helemaal alleen te zitten. Aanvankelijk in een soort gastgezin, een motel waar alles voor je geregeld werd. Ik zat er op een klein kamertje en het was best wel zwaar.
Althans, vooral mentaal. We trainden één keer per dag. Om twaalf uur waren we klaar, teamgenoten gingen meteen naar huis. Gezellig was het daardoor niet bepaald. Na de training ging ik terug naar het hotel, ’s middags vaak de stad in. Al had je dat na tien minuten ook wel gezien. Dus wat deed je verder? Een beetje met de Playstation bezig zijn. Wat lezen, bellen, televisie kijken. Eigenlijk wachtte je gewoon tot de avond. Dan ging ik uit eten. Ik raakte bevriend met een kroegeigenaar. Daar zat ik dan vaak, zijn dochter kwam er regelmatig bij zitten.
Het klinkt misschien heel depressief nu, haha. Maar het was ook erg mooi om mee te maken. Voetballend was ik er in eerste instantie op mijn plaats. Ik was zonder twijfel één van de beteren bij York City. Als Nederlander ben je vaak in je voordeel, qua technische bagage. En zeker in de lagere Engelse divisies. Ik kreeg een basisplaats, het systeem werd op mij aangepast. Maar al snel kreeg ik een flinke blessure. Toen was het ook over. Ik besloot terug te keren naar Nederland, mijn carrière was voorbij.’
Hoe is alles sindsdien verlopen?
‘Ik heb nog jaren op hoog amateurniveau gespeeld. Acht jaar in de topklasse, bij De Treffers, Schijndel, Gemert en JVC Cuijk. Maar ik werd als voetballer elk jaar een stukje minder. Ik werd trager en had veel last van blessures. Uiteindelijk eindigde ik in de derde klasse. Ik speel inmiddels al jaren niet meer, al denk ik er momenteel over om samen met mijn broertje in een vriendenteam te gaan voetballen.
Na het voetbal heb ik behoorlijk wat baantjes gehad. Wist niet goed welke kant ik op wilde. Erna kwam de stabiliteit: ik heb zes jaar bij de Rijksoverheid gewerkt als publieksvoorlichter van ministeries. Tegenwoordig werk ik bij een energiebedrijf. Ik sport wel nog veel: ik fitness elke dag. En verder vul ik mijn vrije tijd met het ondernemen van leuke dingen. Afspreken met vrienden, uit eten, uitgaan.
Ik denk er wel eens over na nog iets met mijn oude opleiding te doen. Dat lijkt me toch wel erg mooi. Doordat ik destijds ben afgehaakt heb ik niet alle achtergronden die nodig zijn voor een functie in de reclamebranche. En de juiste connecties ontbreken. Maar het ontwerpen van reclamelogo’s en borden is iets wat ik nog altijd heel leuk zou vinden om te doen. Bijscholing is wel een optie, maar dat is naast een fulltimebaan wel een groot offer. Je weet nooit hoe het loopt, ik heb wel de ambitie ooit nog eens iets in die branche te gaan doen. En ja, wie weet draagt mijn VVV-achtergrond daar wel positief aan bij. De tijd zal het leren.’
Dit artikel werd gepubliceerd op 23 april 2015. Auteur: Finbar van der Veen.

ksdfjsdklfjjkflkhdfhjgf