Elf keer Tom van Bergen

In de rubriek Elf keer… hebben we telkens elf vragen en / of stellingen voor een voormalige VVV’er. In aflevering 1 staat Tom van Bergen (33) centraal, die tussen 2001 en 2004 in het eerste van VVV voetbalde. Aan zijn verblijf in De Koel kwam abrupt een einde, maar Van Bergen herpakte zich bij MVV en belandde uiteindelijk zelfs in Bahrein. Een gesprek over het leven vóór, tijdens en na zijn profjaren bij VVV…


Elf keer... Tom van Bergen

Jij hebt zowat de hele jeugdopleiding van VVV doorlopen…

‘Dat klopt. Uiteindelijk heb ik dertien jaar bij de club gezeten. VVV is mijn opvoeding geweest. Als echte Blerickse jongen ben ik weliswaar begonnen bij SVB, maar op tienjarige leeftijd kwam ik al bij VVV terecht. Een onbezorgde tijd: lekker op de fiets naar de training. Wat dat betreft hoefde ik er relatief weinig voor te doen. Paul Jans, die van dezelfde lichting was, moest bijvoorbeeld anderhalf uur reizen om bij De Koel te komen.

Ik vond het vooral leuk om te voetballen. Oké, ik had talent, maar ik was eigenlijk niet bewust bezig met het halen van het eerste. Van jongs af aan was ik wel groot fan van VVV. Ik heb in al die jaren geen wedstrijd gemist. Vanaf de Maastribune bewonderde ik spelers als Jay Driessen. Venlose jongens in de basis, dat is natuurlijk altijd mooi. En Driessen was technisch enorm begaafd.

De jeugdafdeling van VVV maakte in die tijd een flinke groei door. We gingen een stuk vaker trainen, als ik me herinner wat we onder Remy Reynierse zoal hebben gedaan... Maar toch was het vooral een tijd van amateurisme. Dan denk ik aan dingen als het moeten aanduwen van een busje dat niet meer wilde starten. En we hadden het gekscherend over kartonnen zwarte broeken die we droegen, ook dat was typerend. Bovenal hebben we veel gelachen in die jaren.’

Hoe kijk je terug op je beginperiode als profvoetballer?
‘In november 2001 maakte ik mijn competitiedebuut in het eerste, thuis tegen Haarlem. Natuurlijk is je debuut speciaal, maar ik was er niet heel bewust mee bezig. Mijn moeder heeft wel jarenlang het nodige bijgehouden in een plakboek. Al blijft het voor mij dubbel om op mijn VVV-periode terug te kijken, maar daar komen we vanzelf bij uit. Ik was een middenvelder met een goed linkerbeen, een speler met een prima pass. Verder was ik vooral een nogal vervelend mannetje. Ik dacht zelf dat ik heel goed was, had constant een grote mond.’

Dat zijn harde woorden. 
‘Maar wel de waarheid. Ik heb stomme fouten gemaakt. Ik was profvoetballer, maar dacht dat ik de koning van Venlo was. Een voorbeeld: nadat ik een wedstrijd goed had gespeeld ging ik op stap. Niks mis mee, als je tot een uur of half drie gaat. Maar ik bleef de hele nacht weg. De dag erna was ik ook nog eens pas vlak voor half tien op de club, net voordat de training begon. Trainer Wim Dusseldorp greep me bij de keel. Achteraf terecht. Ik had een houding van niets. En ik was ontzettend eigenwijs. Het was altijd ‘ja, maar’, ik wilde niets van anderen aannemen. Ik miste fysiek en snelheid, maar aan krachttraining deed ik nauwelijks. En ik at ook nog eens slecht. Niet bepaald de juiste profhouding.’

Je hebt drie jaar in het eerste gespeeld. Er zullen ongetwijfeld ook hoogtepunten zijn…
‘Zeker, het waren ook mooie jaren. Eén keer heb ik een competitiegoal gemaakt, uit bij Go Ahead Eagles. Maar dat was dan wel meteen een wereldgoal: vanaf twintig meter in de kruising. Ook in de nacompetitie heb ik overigens gescoord. Ik behoorde tot de selectie in de jaren dat VVV de weg naar boven inzette. Dat merkte je aan alles. Er kwamen betere spelers, maar het ging er bij de club zelf ook steeds professioneler aan toe. Er kwam medische begeleiding en daar waar we eerst onze eigen broodjes meenamen kregen we later een lunch bij de club. Wim Dusseldorp was een prima opbouwtrainer: hij maakte er echt een team van.

In het laatste jaar van Dusseldorp heb ik flink wat wedstrijden meegedaan. In de zomer van 2004 volgde Adrie Koster hem op. Zijn manier van trainen waren we niet gewend. Koster deed veel grondoefeningen, waar we zichtbaar sterker van werden. VVV pakte dat jaar de eerste periodetitel, al speelde ik niet heel veel.’

Op 5 november 2004 speelde je wel…
(korte stilte) ‘5 november 2004. Die dag staat in m’n geheugen gegrift. We speelden thuis tegen Dordrecht. Ik zou invallen, maar ging eerst naar de wc. In de kleedkamer hoorde ik een telefoon overgaan. Dat betekende in die tijd een boete: de regel was dat je telefoon uit moest staan. En toen deed ik iets stoms. Iets ontzettend stoms. Ik heb die telefoon meegesmokkeld, wilde de boete voor mijn ploeggenoot voorkomen. Maar het liep anders. De telefoon werd in mijn auto ontdekt: hoewel ik alleen maar goede intenties had werd ik als schuldige aangewezen. Er waren in die tijd een paar vervelende incidenten geweest en daar moest een zondebok voor gevonden worden, zo voelde het voor mij. Ik had het nooit moeten doen, het was een enorme fout, maar waar ik van verdacht werd: dat had ik niet gedaan. Toch moest ik per direct vertrekken. Ontslag.’

Dat moet een inktzwarte periode geweest zijn…
‘Ik herinner me van de weken erna eerlijk gezegd vrij weinig, heb die tijd als in een roes beleefd. Mijn verhaal is nooit naar buiten gekomen. Ik had geen behoefte te reageren, ik was toch al veroordeeld. Het stomme is: van de fouten die ik als voetballer had gemaakt was dit in mijn ogen niet eens de grootste, maar zo werd het wel geïnterpreteerd. Dan is het profvoetbal een harde wereld: je trekt met elkaar op, maar in feite is het meestal ieder voor zich.’

Na een paar weken kreeg je profloopbaan toch een gevolg: MVV trok aan de bel. Hoe kwam die club bij jou uit?
‘Andries Jonker was er op dat moment trainer. Mijn zus heeft bij het Nederlands dameselftal gezeten, in de periode dat Andries daar de coach van was. Als jongen van veertien, zestien was ik daar regelmatig bij. Daardoor kenden we elkaar. Jonker gaf me het vertrouwen. Ik ben heel dankbaar dat MVV me de kans gaf. Wel onder strikte voorwaarden: mocht alsnog blijken dat ik schuldig was dan zou mijn contract meteen worden ontbonden.

Bij MVV heb ik een mooie tijd gehad, buiten de periode dat ik geblesseerd was heb ik alles gespeeld. Jonker zei letterlijk: jij bent de eerste naam die ik op het bord zet. Nou, dat streelt je ego. De wedstrijden tegen VVV waren, zeker in het eerste seizoen, voor mij heel beladen. De uitwedstrijd heb ik niet meegedaan, alles was nog te vers. Thuis in De Geusselt speelde ik wel. Dat was loodzwaar: er waren continu spreekkoren waarin verwezen werd naar waar ik van beschuldigd was. Scheidsrechter Luinge vroeg me letterlijk of hij de wedstrijd moest staken. Maar ik heb doorgezet.

Ik voldeed aan de verwachtingen in Maastricht: mijn contract werd met twee jaar verlengd, daarna kwam er interesse van andere clubs. Uit de Eredivisie. Dan denk je soms wel ‘wat als’, maar dat telt niet in het voetbal. Jonker ging naar Willem II, de nieuwe coach Jurrie Koolhof koos voor andere spelers. Ik moet eerlijk bekennen dat ik ook toen nog de verkeerde instelling had: ik leefde niet vol voor de sport. Niet gek dus dat ik in de zomer van 2007 het profvoetbal vaarwel moest zeggen. Zo leek het althans.’

Want er stond je nog een onverwacht avontuur te wachten…
‘Dat kun je wel stellen. Eelco Schattorie benaderde me of ik interesse had om in Bahrein te komen voetballen. Schattorie kende ik uit mijn VVV-periode, we hebben altijd contact gehouden. Hij was trainer geworden bij SC Riffa en peilde of ik het zag zitten daar te komen spelen.

M’n vader heeft speciaal een kaart gekocht om überhaupt op te zoeken waar Bahrein lag, ik besloot het er op te wagen en naar het Midden-Oosten te verkassen. Daar kwam ik in een compleet andere wereld terecht. We moesten voetballen bij temperaturen van vijftig graden. In mijn eerste wedstrijd moest ik na tien minuten al naar de kant met uitdrogingsverschijnselen. Door de extreme hitte had je een heel ander dag- en nachtritme. Het leven speelde zich af van een uur of twee ’s middags tot vier uur ’s nachts. Ik zat er in een hotel en had weinig te klagen. In eerste instantie ben ik voor vijf weken geweest, uiteindelijk ben ik in totaal drie maanden gebleven.

De voetballers van Riffa waren technisch goed, maar tactisch kwamen ze overduidelijk tekort. Elke club mocht maar drie spelers van buiten de Emiraten hebben: naast ikzelf waren er twee Portugezen. Onze club werd geleid door een sjeik, eigenaar van Gulf Air. Op een gegeven moment kwam er iemand binnen lopen met een shirtje, een Adidas-broek en van die ouderwetse Adidas-slippers. Ik vroeg volkomen onwetend aan Eelco: wat is dat voor zwerver? Bleek dus de sjeik te zijn, die een miljard of zes scheen te bezitten.

Bahrein was in die tijd een land in opbouw. Ik heb er zoveel meegemaakt. Benzine kostte negen cent per liter. Toen ben ik daar lekker op het Formule 1-circuit gaan rijden, flink gas geven. Ook de plek waar we trainden was merkwaardig: ik ging een keer een bal ophalen die naast het veld was beland, waar een kooi stond. Daar zat eerlijk waar gewoon een tijger in. Bizar.

Mooie verhalen genoeg, maar op een gegeven moment was het aanblijven van Eelco als trainer twijfelachtig. En ik kreeg mijn contract maar niet goed op papier: in zulke landen wil dat vaak niet bepaald vlotten. In november besloot ik terug naar Nederland te keren.’

En toen was het wel gedaan met je profloopbaan…
‘Ineens kreeg ik een compleet ander leven. Ik heb me aangemeld bij de amateurs van Venray, die op dat moment bovenaan stonden in de Eerste Klasse. Voor het eerst in m’n leven moest ik ook gaan werken. Echt werken: ik kreeg een baan van half negen tot vijf. Dat was ik niet gewend. Geloof het of niet: daar ben ik letterlijk ziek van geweest. Ik was een luie hond, wat wist ik nou van het normale leven?

Het heeft me een hele tijd gekost om te accepteren dat ik geen profvoetballer meer was. Nog lang heb ik de hoop gekoesterd dat er toch weer een club zou komen. Dat was echt een proces van anderhalf jaar. Ik moest wennen aan de combinatie werken en trainen. Ja, het welbekende zwarte gat heb ik flink meegemaakt.’

Uiteindelijk heb je je rust gevonden.
‘Het rare is: als prof was ik altijd nerveus en zenuwachtig. Die druk viel weg toen ik bij de amateurs belandde. Als voetballer heb ik bij Venray mijn beste jaren gehad. We werden kampioen in de Eerste Klasse, maar in de Hoofdklasse heb ik pas echt mijn aandeel gehad.

Tsja, en natuurlijk vraag je je vaak af hoe het had kunnen lopen. Maar eerlijk is eerlijk: ik bleek gewoon niet goed genoeg te zijn. Simpel. Mijn houding was slecht, dan red je het niet. Had ik maar een betere instelling gehad. Kijk naar Willem Janssen: een goede voetballer met specifieke kwaliteiten, maar hij had al meteen ook iets in zijn ogen. Een heilig vuur, je zag aan hem dat hij de top wilde bereiken. Of neem Niels Fleuren. Hoeveel kritiek hij ook krijgt: op karakter komt hij elke keer weer bovendrijven. Welke linksback VVV ook haalt, bij elke trainer staat Niels op den duur weer in de basis. Dan beschik je dus onmiskenbaar over kwaliteiten.

Vroeger dacht ik de beste te zijn, ik voelde me zoals gezegd de koning van Venlo. Nu ik ouder ben lukt het me veel beter in de spiegel te kijken. Maar zoals ik zijn er veel. Mensen die de weelde van het profbestaan gekend hebben en erna ver wegzakken. Het voetbal laat vaak alleen de mooie kant zien, maar er is ook een keerzijde. Als je buiten de boot valt is er niets aan begeleiding. En dat is heel moeilijk. Het zou goed zijn als daar meer aandacht voor zou komen. Sterker nog: ik zou me daar zelf graag hard voor maken.’

Voetbal speelt nog altijd een belangrijke rol in je leven.
‘Ik voetbal tegenwoordig in Duitsland, bij SC Union Nettetal. De Landesliga, het zesde niveau. Je kunt het vergelijken met de Hoofdklasse bij ons. We trainen drie keer per week, in de voorbereiding vijf, zes keer. En ja, alle clichés over Duits voetbal zijn waar: het is inderdaad veel loopwerk. Maar iedereen is topfit. Ik ben inmiddels een linie teruggezakt: speel als centrale verdediger. Op het middenveld zou ik op mijn leeftijd compleet overlopen worden.

Zoals ik vroeger was, dat kennen ze in Duitsland niet. Daar luisteren de spelers naar trainers, en jonge spelers luisteren naar de veteranen. Ik heb nog een contract voor één jaar en heb het in Nettetal prima naar mijn zin. We spelen elke zondag voor driehonderd, vierhonderd toeschouwers. Het plezier staat centraal: gewoon lekker voetballen.

Ik heb een baan als planner bij een taxibedrijf en ook dat bevalt uitstekend. In mijn MVV-periode heb ik daarnaast mijn trainersdiploma behaald. Bij Venray heb ik vervolgens mijn TC2-diploma gehaald, ik mag tot en met de Tweede Klasse trainen. Ik zou dolgraag met mijn trainerspapieren aan de slag gaan. Bij de amateurs beginnen, en liefst zo snel mogelijk. Dat lijkt me fantastisch. Weet je wat het is: ik zie het voetbal beter dan dat ik het zelf uitvoerde. Ik ben een denker, kan het spel goed lezen. En mijn karakter is wezenlijk anders dan vroeger. Inmiddels ben ik gedreven en ambitieus. Ja, als trainer heb ik genoeg in m’n mars om te slagen.’


Dit artikel werd gepubliceerd op 26 januari 2015. Auteur: Finbar van der Veen.