Elf keer Ludo Doensen

In de rubriek Elf keer… hebben we telkens elf vragen en / of stellingen voor een voormalige VVV’er. In aflevering 3 staat Ludo Doensen (40) centraal. Ludo was tweede doelman in het seizoen 1992-1993, het jaar dat VVV kampioen werd. Eén wedstrijd keepte hij slechts in het eerste. En dat was dan ook nog eens de met 5-1 verloren uitwedstrijd tegen RBC. In deze editie van Elf keer…zit een overduidelijk vastelaovendtintje: Ludo werd drie jaar geleden Prins bij De Moeraskwaakers in ’t Ven. Opmerkelijke eindconclusie: Ludo Doensen speelde dus net zo vaak in VVV 1 als dat hij Prins was.

Elf keer...Ludo Doensen 

Jij hebt precies één keer in een officieel duel voor VVV in het doel gestaan. Maar dat werd wel meteen een memorabele wedstrijd.
‘Dat kun je wel stellen. John Roox had een wedstrijd eerder een gele kaart gekregen, waardoor hij geschorst was voor de uitwedstrijd tegen RBC. Beide clubs draaiden op dat moment erg goed: VVV stond eerste, RBC tweede. Het lag zo dicht bij elkaar dat de wedstrijd rechtstreeks om de koppositie ging. Om er maar niet omheen te draaien: mijn debuut werd geen groot succes. Het werd 5-1 voor RBC, en ik had ook nog eens schuld aan twee of drie tegendoelpunten. Ik zeg weleens gekscherend: ik ben destijds vijftien keer op televisie geweest. Vijf goals tegen en elk doelpunt lieten ze drie keer zien. Dus inderdaad: je kunt je als keeper een beter debuut voorstellen.’ 

Je was op dat moment achttien jaar. Erg jong, en zeker voor een doelman. Heb je een lange voorgeschiedenis in de jeugd bij VVV?
‘Nee, integendeel. Toen ik naar VVV kwam was ik al zeventien. Ik ben geboren en getogen in ’t Ven. Daar begon ik bij FCV, maar ook daar was ik er heel laat bij: ik ging pas in de D-jeugd in clubverband voetballen. Eerst op het veld, maar ik kwam al snel in de goal te staan. Ik was behoorlijk betrokken bij de club. Op zaterdag speelde ik mijn eigen wedstrijd, op zondag ging ik naar het eerste van FCV kijken. Weet je dat ik niet eens meer precies weet hoe ik bij VVV terecht ben gekomen? Ik ga er vanuit dat ik wel eerst op proef ben geweest. In de VVV-jeugd werkte ik met Remy Reynierse en Mat Bours als trainers. Van mijn lichting hebben onder meer Pol van Boekel, Jaap Geurtjens en Maurice Koenen het eerste gehaald. Ik was toentertijd de eerste die doorstroomde.’

Je werd in de zomer van 1992 tweede keeper bij het net uit de Eredivisie gedegradeerde VVV, achter John Roox. Hadden ze zoveel vertrouwen in je kwaliteiten?
‘Ik denk dat VVV mede uit geldgebrek de gok gewoon heeft gewaagd. Ik kwam op amateurbasis bij de selectie. In de voorbereiding heb ik ook wel wat gespeeld, en niet eens onverdienstelijk. Kwam erna in de krant te staan dat ik de strijd met John Roox aan zou gaan. Natuurlijk ben je sportman, maar het was zo opgeschreven dat het leek alsof ik Roox wel even uit het elftal verwachtte te spelen. Ik kende mijn plaats, was allang blij dat ik tweede keeper was. Ik kwam net kijken. En laten we wel zijn: ik was er voornamelijk om de bank warm te houden.

In het begin heb ik Henk Rayer nog even meegemaakt als trainer, toen kwam Frans Körver. Een totaal andere type, hij was een pure motivator. En ook nog eens een oud-keeper. Toch heeft bij mij heeft hij niet de benodigde passie los weten te krijgen. Toen ik bij het eerste zat was het een compleet andere tijd. VVV had destijds nog geen keeperstrainers. Daardoor stond ik altijd tegenover John Roox met partijvormen, er werd niet specifiek met ons getraind.’ 

Doordat diezelfde Roox tegen RBC geschorst zou zijn wist je dat je zou gaan debuteren. Hoe leefde je toe naar die wedstrijd?
‘Het viel eerlijk gezegd wel mee met de zenuwen. RBC had maar een klein stadionnetje, dat overigens wel propvol zat. Als ik als broekie in De Kuip had gestaan had ik me misschien wel anders gevoeld. Doordat VVV vlak ervoor periodekampioen was geworden was de druk bij ons niet heel groot. Ik heb zelfs geluiden gehoord dat ik me maar niet al te veel van de wedstrijd moest voorstellen, en dat het eerder tegen zou vallen. Feit was dat we hard onderuit gingen. Met ook nog eens twee, drie fouten van mij. Ik had niet het gevoel dat ik daar persoonlijk op werd aangekeken, al zal het vertrouwen in mij er niet door zijn toegenomen. Toen John Roox later in het seizoen zijn vierde gele kaart pakte werd Jos Smits als tweede keeper gehaald. Met mij durfden ze het toch niet nog een keer aan.’

Later dat jaar werd VVV kampioen. Je aandeel in het geheel was heel klein. Voelde jij jezelf eigenlijk ook kampioen?
‘Ik heb bijzonder weinig inbreng gehad. En die ene wedstrijd die ik mee mocht doen werd ook nog eens dik verloren. Toen Jos Smits kwam daalde ik een plekje in de rangorde. Ik heb ook maar tot februari bij de selectie gezeten, daarna kwam ik in het tweede. Daar baalde ik zeker van, ik had alleen weinig keuze. Ik had als keeper mijn lengte mee, verder was ik nog maar een jungske. De wil was er wel, maar alles was simpelweg nieuw voor me. Het was dan ook te vroeg dat ik in het diepe werd gegooid. Alleen: dat is achteraf altijd makkelijk praten. De kampioenswedstrijd van VVV was thuis tegen uitgerekend RBC. Ik zat op de tribune, ben na afloop het veld opgelopen en heb me bij de spelers gevoegd. Ik ben vervolgens gewoon meegegaan om het kampioensfeest te vieren. Maar eerlijk is eerlijk: had ik dat niet gedaan dan zou niemand me hebben gemist.’

En dat was het dan: je carrière bij VVV…
‘Ik ben na het seizoen 1992-1993 overgestapt naar de amateurs van Volharding uit Vierlingsbeek. Bij Volharding haalde ik in die tijd in positieve zin de krant: in een bekerduel tegen Panningen stopte ik drie penalty's. Ondertussen was ik druk bezig met mijn toekomst. Ook in mijn VVV-tijd was ik al bezig met een opleiding. Ik deed de MTS, liep stage bij Océ. Dat viel goed te combineren. Met VVV trainden we ’s middags en daar werd tijdens mijn stage rekening mee gehouden. Na mijn vertrek bij VVV was volkomen duidelijk dat ik voor een maatschappelijke carrière zou gaan. Later ging ik in Eindhoven studeren. Ik had nog geen auto, dus pendelen tussen Venlo, Eindhoven en Vierlingsbeek was niet heel handig. Ik heb vervolgens nog twee jaar in Duitsland gespeeld en erna bij DBS in Eindhoven. Uiteindelijk keerde ik terug bij FCV.’

In ’t Ven ben jij echt op je plek.
‘Dat klopt. Bij FCV was ik trouwens niet langer keeper: ik ging in de verdediging spelen. Ik wilde weleens écht moe zijn na een wedstrijd. En dat word je met keepen hoe dan ook niet volledig. Dat ik op een lager niveau ging spelen was prima: het plezier moest voor mij voorop staan en dat lukte goed. Veel later heb ik trouwens nog wel eens het eerste geholpen toen ze om een doelman verlegen zaten.

Toen ik mijn opleiding volgde was het streven niet direct een eigen zaak te beginnen, maar dat werd gaandeweg wel steeds interessanter. In 2007 heb ik Doensen Bouwbedrijf & Sfeerhaarden overgenomen, een familiebedrijf dat intussen al meer dan honderd jaar bestaat. Vroeger zat de zaak, toen nog puur een bouwbedrijf, in de Bolwaterstraat. Daarna zijn mijn ouders naar ’t Ven verhuisd. Van origine ben ik aannemer. Daar heb ik dus ook een diploma van, iets waar ik trots op ben. Aanvankelijk richtten we ons met het bedrijf alleen op het verbouwen en renoveren van woningen. De open haarden en kachels zijn er zo’n vijfenveertig jaar geleden bij gekomen.’

Ook je sociale leven speelt zich voor een aanzienlijk deel af in ’t Ven.
‘Ik heb inmiddels een gezin met drie kinderen. Twee meisjes van elf en negen en een jongen van zes. We wonen in mijn ouderlijk huis. Ik ben een tijdje weg geweest bij FCV, maar tegenwoordig ben ik medetrainer van de E6, het team van mijn zoon. Het enthousiasme bij kinderen is leuk om te zien: één en al lol en plezier. Daarnaast ben ik betrokken bij het Kindervakantiewerk in ’t Ven. Met vijf mannen en vijf vrouwen organiseren we een kamp, een zomerweek, de wandelvierdaagse. Ook dat is heel dankbaar om te doen.’

Je staat midden in het verenigingsleven. Genoeg ingrediënten voor het Prinsschap bij de Moeraskwaakers in 2012….
‘Het was een hele eer om Prins te mogen worden bij de vastelaovendvereniging van ’t Ven. De Moeraskwaakers hebben een essentiële rol in de gemeenschap en staan synoniem voor een hoop gezelligheid. Gewoon, lekker met elkaar een feestje bouwen. En Feestzaal ‘t Ven is dan wel ‘the place to be’. Ik werd eind augustus al gevraagd of ik Prins wilde worden. Dat betekende dus dat ik een heel lange periode mijn mond moest houden. Voor mij was meteen duidelijk wie mijn Adjudante zouden worden. Zonder dat wij dat zelf bewust deden hadden we ons de jaren ervoor duidelijk met ons drieën laten zien en horen. De aanloop naar het uitroepen was een intense periode. En zeker in het laatste deel: je kwam gerust drie keer per week bij elkaar. Behoorlijk heftig, maar alles was wel erg goed geregeld.’

Hoe was het vervolgens om de scepter in ’t Ven te zwaaien?
‘Dat was een onvergetelijke ervaring. Je mag veel mooie dingen meemaken: naar recepties toe, het bal. Maar je bent niet zeven dagen per week in de weer, daardoor was het prima te overzien. Wat ik zelf ontzettend leuk heb gevonden is de optocht. Dat je als vereniging überhaupt je eigen optocht hebt is natuurlijk al fantastisch. Onze optocht is in de regio extra bekend door dat mooie Jocusnummer. De optocht was een hoogtepunt, maar feitelijk is die hele vastelaovend één groot hoogtepunt geweest. Het is eigenlijk ook niet te omschrijven: je maakt elkaar blij. In ’t Ven is het allemaal overweldigend hecht. Als ik tegenwoordig met vastelaovend in de stad uit ga merk je dat je veel meer opgaat in de menigte. Vastelaovend in ’t Ven is voor mij kortom het allermooiste.’

Je bent precies even vaak Prins geweest als dat je in het eerste van VVV hebt gekeept. Je Prinsschap staat iedereen nog bij, maar hoeveel mensen spreken je tegenwoordig nog aan op je VVV-periode?
‘Er zijn best veel mensen die dat nog weten. En ja, als het ter sprake komt dan gaat het altijd over die 5-1. Daar kan ik goed tegen hoor: het is leuk elkaar voor de gek proberen te houden. Ook mijn zoontje is inmiddels op de hoogte van mijn VVV-verleden. Of hij ooit in mijn voetsporen treedt? Dat kun je op dit moment nog niet zeggen. Zolang hij maar plezier heeft in alles wat hij doet. Dan weet ik zeker: alles kump good.’


Dit artikel werd gepubliceerd op 14 februari 2015. Auteur: Finbar van der Veen.